Skip to content

Non-fictie: doelmatige, lekker lezende tekst

Wat moet jouw lezer doen met je tekst? Wat moet hij willen, voelen, weten? Dat is de belangrijkste vraag waarop je bij iedere tekst een glashelder antwoord moet hebben.

Veel mensen die een tekst willen schrijven of geschreven willen hebben, denken dat het gaat om de juiste woorden, de mooiste woorden, of de mooiste zinswendingen. Dat is misschien bij dichtkunst zo, maar zelfs daar gaat het erom: komt wat ik wil zeggen ook over bij de lezer?

Welke hulp?

Precies díé vraag – wat je boodschap voor de lezer en komt die ook over – staat centraal als ik betrokken ben bij een tekst. Dat doe ik bijvoorbeeld:

Kennismaken?

Bij mij start schrijfcoaching altijd met een kennismakingsgesprek. We bespreken dan hoe ik je het best kan helpen. Regel het binnen een minuut.

Maar hoe weet ik dan hoe Bureau Schrijfhulp werkt? Het eenvoudige antwoord is: the proof of the pudding is in the eating. Laten we even kennismaken. Of, als je toch iets meer wilt proeven van wat ik belangrijk vind aan teksten… lees gewoon even verder.

Boodschap overbrengen

Bureau Schrijfhulp is een bureau dat helpt en ontzorgt bij het overbrengen van die boodschap. ‘Ja, maar fictie is heel anders dan non-fictie.’ ‘Een beeld zegt toch veel meer dan duizend woorden.’ Ik hoor het je zeggen. Dat is ook zeker waar. Fictie is anders dan non-fictie, en beelden haken aan op emotie en herkenning. Schrijven haakt aan op ratio en duiding.

Dus als het doel van je communicatie is: emotie en herkenning… investeer dan in goed beeld. Gaat het om ratio en duiding, investeer dan in goede tekst. En omdat het doel van de meeste media een mix is van die dingen: investeer in beide, maar maak niet de denkfout dat beeld tekst voor honderd procent kan vervangen.

Als ik begeleid bij de productie van non-fictie, of die productie op me neem, gaan we samen verkennen voor wie je boek of artikel er eigenlijk is. Wil je mensen overtuigen van een standpunt? Dan heeft je schrijfwerk een andere opbouw dan als je mensen van informatie wilt voorzien. Dus hier gaan we samen verkennen wat eigenlijk het doel is van het artikel of je boek. Voor wie is het, en wat moet die lezer ermee?

De foute slager, twee versies

Waarom is dat nu zo belangrijk? Laat ik dat vertellen aan de hand van een voorbeeld. Maak kennis met slager Bastiaanse. Die verkocht bedorven vlees. De halve straat is ziek geworden, drie mensen zijn met voedselvergiftiging opgenomen in het ziekenhuis, en Bowie, dat lieve buurthondje dat altijd van iedereen iets krijgt toegestopt, is zelfs bezweken. Trees, de eigenaresse van het hondje, is ontroostbaar.
Stel, je wilt een stuk schrijven in het plaatselijke krantje over dit voorval… wat wil je dan dat de lezer doet? Misschien wil je dat de lezer bij Trees op de koffie gaat, geld inzamelt voor een nieuwe hond of voor enkele fruitmanden voor de ziekenhuispatiënten. Je kiest dan voor een persoonlijke insteek: grote foto van Bowie in betere dagen, mèt Trees. Of een foto van een zielige Trees, die een polaroid van Bowie in blakende gezondheid vasthoudt. Als kop kan iets gaan als: “Het was zo’n lieverd” en het verhaal leunt sterk op het persoonlijk leed van de slachtoffers. Ten diepste is het verhaal geslaagd als de buurt onder leiding van Willibrord ten strijde trekt tegen Bastiaanse en de tent kort en klein slaat, al zal de schrijver van het verhaal dat natuurlijk nooit toegeven.

Misschien vind je zo’n aanpak iets te veel Telegraaf. Je wilt misschien dat lezers gaan nadenken over de kwaliteit van hun voedsel, of wat de gemeente of wie ook gaat doen aan de malafide praktijken van de slager. Dat gaat waarschijnlijk niet gebeuren met zo’n zielig verhaal. Dus dan wil je de Keuringsdienst van Waren interviewen, en de slager zelf. Je wilt proberen te achterhalen of er verwijtbare fouten zijn gemaakt met de opslag en verkoop van het vlees. Bovendien wil je weten of Bastiaanse een uitzondering is, of dat het wemelt van de voedselvergiftiging omdat het toezicht door geldgebrek sterk verzwakt is. “Eén op de vijf slagers heeft hygiëne niet op orde” is een mooie kop. Bastiaanse en Bowie zijn dan alleen maar de aanleiding om een grotere misstand aan de kaak te stellen. Da’s meer een appeltje voor de NRC of Trouw, toch?

Eén voorval, twee goede verhalen. Het is een denkfout om te denken dat je dat naar eigen believen kunt kiezen. Je moet weten aan welk van de versies jouw lezers de voorkeur geven. En daar moet je je verhaal op afstemmen. Daarom zijn het ook twee goede verhalen; de journalisten van de Telegraaf en de NRC snàppen waar hun lezers warm van worden.

Weten-willen-denken-doen

Eigenlijk gaat het met alle non-fictie zo. Je kunt tijdschriften of actualiteitenprogramma’s zelfs indelen op de vier steekwoorden doen, denken, willen of voelen, en dan begrijp je waarom het ene zich vooral richt op human interest (dat zijn vooral voel-media), terwijl het andere vooral zakelijk gebeurtenissen probeert te verslaan (weet-media), laten zien hoe je het zelf kunt (doe-media), of ‘informatieve’ aanprijsteksten (wil-media). Een gemiddeld kookprogramma om 17:00 uur is een doe-medium. Je zult er zelden iets aantreffen over hoe het is om 24/7 in zo’n hete keuken te staan, mocht je de ambitie hebben. Maar je kunt wel oven baked paprikachips zien bereiden.

Journaals op televisie zouden eigenlijk weet-media moeten zijn, maar zijn vervlakt tot voel-media. De gemiddelde research voor willekeurig elk onderwerp gaat niet verder dan ‘we vragen het de man op straat’. Waardoor je voor een begrip en context van het nieuws bent aangewezen op geschreven media (op papier of internet).

Een gemiddeld computertijdschrift is van alles wat: je kunt er lezen hoe je een inhoudsopgave maakt in Word, wat de nieuwste trends zijn, en waarom je toch vooral de nieuwste iPhone moet kopen (of niet). Alleen het voelen komt er bekaaid af. Maar daar hebben we dan weer de Libelle voor.

En daarom is het dus belangrijk om te weten met welk doel je schrijft en voor wie. Na 25 jaar journalistiek zou ik me niet durven wagen aan een verslag van het Bastiaanse-Bowie-drama dat beide doelen dient. Dat gaat niet werken: het ene doel is te zakelijk, het ander te persoonlijk. Voor de ‘andere helft’ van de doelgroep.

Keuzes maken

Jaren geleden werd ik benaderd door een topsporter, die zijn in de topsport geleerde lessen wilde gieten in een boek over leiding geven. Dat boek is er niet gekomen, maar je kunt je voorstellen dat het een heel ander boek zou worden als deze topsporter zijn memoires zou willen optekenen. Het leidinggeefboek moet vol praktische tips staan, die leunen op de manier waarop de topsporter gecoacht was en de essentiële momenten in zijn topsportcarrière die een leidinggevende succesvol zouden maken. Hoe je topsport en ouderschap combineert, is dan niet zo belangrijk. Dat laatste zou ik in memoires niet willen weglaten, zeker niet als dat bij die ene alles bepalende wedstrijd het verschil had gemaakt.
Zelfs bij memoires moet je keuzes maken: waar leg ik het accent op? Waar niet op? Waarom niet? Aan de hand van die keuzes gaan we al brainstormend je verhaal vormgeven.

Coaching

De meeste teksten die geschreven worden, zijn bedoeld voor andermans ogen. Het is zonde als die het voor gezien houden. Bij non-fictie geldt, dat de lezer altijd gelijk heeft: als die afhaakt, rammelt er iets aan het geschrevene. En daarom ben ik altijd persistent en onophoudelijk enthousiast met het verhelpen van afhaak.
En dan… komt onvermijdelijk het moment dat je je afvraagt: “Waar ben ik aan begonnen?” Het is wonderbaarlijk in dat opzicht dat zoveel mensen een boek willen schrijven. Een boek schrijven is een enorm project, dat je meestal in je eentje doet. Tegenslagen zijn er altijd: een hoofdstuk dat niet lekker wil, een dunne plek in je bewijsvoering, een nieuw artikel waar je op stuit, waardoor je anders over de materie gaat nadenken. En dat is het moment waarop ik als schrijfcoach de meeste meerwaarde heb. We kantelen en draaien net zo lang tot het weer helder wordt, en tot je er weer zin in hebt.