Skip to content

Over mijzelf

Wat ik vanuit Bureau Schrijfhulp doe, doe ik vanuit de overtuiging dat iedereen – ieder mens – een interessant verhaal te vertellen heeft. Meer nog: zelfs als wat iemand meemaakt of doet schijnbaar onbeduidend is, heeft het interessante elementen in zich. Alleen is wat interessant is niet bij iedereen even duidelijk zichtbaar. Dat is mijn missie: ook die schrijvers waar dat verhaal er niet vanzelf uit komt, zo goed mogelijk te begeleiden.

Wat het verschil maakt, is of je in staat bent het verhaal te vertellen op een boeiende manier. Dat is nog niet zo makkelijk. En daarom help ik. Ik doe dat bij zowel fictie als non-fictie. Wat een verhaal boeiend maakt, is bij beide soorten teksten totaal anders. Overeenkomstig is, dat je door jezelf de juiste vragen te stellen en door het doel van de tekst voor ogen te blijven houden, je de lezer bij je verhaal kunt blijven betrekken.

Scriptiecoach Rene Rector begeleidt bij faalangst, motivatiegebrek en alle inhoudelijke moeilijkheden

Fictie

De wortels van Bureau Schrijfhulp gaan terug tot mijn achtste levensjaar. Ik vond het leuk om verhaaltjes te verzinnen en ik was een groot fan van zowel dieren als science fiction. Mijn eerste boek ging over twee aapjes in een vliegende schotel. Het staat nog steeds in mijn boekenkast: een bundeltje multomapblaadjes met een kartonnen kaftje, getypt op een oude Remington typemachine. Het is niet uitgeefwaardig, maar wat geeft het? Een dagboek is meestal óók niet bedoeld om uit te geven. Als achtjarige was ik vooral bezig met het verzinnen van leuke scenes, spannende gebeurtenissen en leuke personages. Ik was een enorm bewonderaar van de boeken van Feenstra – die ik in mijn eigen schrijfsels dan ook vaak als inspiratiebron gebruikte, dus van enig plagiaat was wel sprake.
En dat is prima. Het is met schrijven net als met een muziekinstrument, tegelzetten of – ik zeg maar wat – taarten bakken: je wordt de vaardigheid pas echter meester zodra je er veel in oefent. Tenminste… veel oefenen is een voorwaarde om er goed in te worden; veel oefenen wil niet zeggen dat je er automatisch ook goed in wordt. Ik leerde ervan waardoor ik vond dat een verhaal spannend werd. Wanneer ik het blaadje beter uit de typemachine kon trekken en als prop met een boog in de prullenmand moest laten belanden.

Juweeltjes

Inmiddels is mijn eerste boek uitgegeven en het tweede in voorbereiding. Inmiddels lees ik boeken en kijk ik films altijd met in mijn achterhoofd de vragen: “Welke keuzes maakt de schrijver? Welk verhaal wil hij vertellen? Is hij daarin geslaagd? Hoe doet hij dat?” Dat is een soort beroepsdeformatie. Het is niet alleen maar leuk: menig film of boek wordt een stuk middelmatiger als je op die manier kijkt: personages doen dingen die een normaal mens nooit zou doen in hun situatie, het plot draait om een conflict dat in het gewone leven geen conflict is of de schrijver heeft teruggegrepen op een cliché van heb ik jou daar. Dat is best vaak teleurstellend, maar gelukkig verschijnen er op beide media geregeld juweeltjes.

Jeugdsentiment

Als achtjarige twaalf delen lang gekluisterd aan de familie Hiddes. ‘Dat soort avonturen smaakt naar meer.’ Losjes geïnspireerd op deze serie kroop ik achter de Remington.

De eerste!

Je eerste boek is nooit een hoogvlieger, net als je eerste ritje op je driewieler (met je vader of je moeder hollend ernaast). Maar het is je eerste!

Geen Sp@ce

Mijn eerste gepubliceerde boek. Oppervlakkig over de eerste reis naar Mars, diepgaander over een dochter die afrekent met de giftige familieverhoudingen binnen haar gezin.

Tijdschrift

Over elk onderwerp kun je een goed artikel schrijven. Of een heel tijdschrift vol, zoals voor de Haagse Hogeschool.

Verslaglegging

Tientallen verhalen over baanbrekend onderzoek. Journalistiek qua insteek, informatief qua uitkomst, zoals voor het Ministerie van Economische Zaken en Kennislink.

Non-fictie

Tijdens mijn studie begon het op te vallen: een vak dat met een tentamen werd afgesloten, leverde me meestal een 7 en nogwat op. Was de eindterm een werkstuk, dan was een 8 toch wel het minimum. Na mijn studie lonkte de journalistiek. Ik kwam te werken op een redactie waar je een hele pagina A2 (ouderwets krantenformaat) per dag moest produceren. Dat komt de journalistieke kwaliteit van je werk niet ten goede, maar je leert wel schrijven: reportage, opinie, interview, nieuwbericht, achtergrondverhaal. Zo’n beetje alle journalistieke genres kwamen voorbij, en omdat zo’n 1.500 woorden per dag produceren minimaal was, waren dat heel veel reportages, interviews… enzovoort.

Eieren

Ik heb in mijn carrière veel geschreven over moeilijke, politiek gevoelige onderwerpen en over onderzoek. Politiek gevoelige onderwerpen zijn op zich niet moeilijk, zolang je maar bij een onafhankelijk nieuwsmedium werkt. Zolang je dan netjes hoor en wederhoor pleegt, gaat het vrij aardig. Soms krijg je dan een wethouder aan de lijn die door de fractievoorzitter van een oppositiepartij is gebeld met de mededeling dat je hebt geschreven dat de bewuste wethouder er met de gemeentekas vandoor is, maar dat is eerder grappig dan ernstig. Maar wee degene die moet opereren onder een bestuur dat in weerwil van zogenaamde journalistieke onafhankelijkheid van je medium met een behoorlijke portie powerplay gaat dicteren wat jíj op moet schrijven… Je leert er verkwikkend van op eieren lopen. In alle eerlijkheid: de meeste bestuurders kunnen de verleiding niet weerstaan.

Het heeft me echter óók gepokt en gemazeld: het is heel eenvoudig om journalistiek ‘boe’ te roepen als je nauwelijks verantwoording hoeft af te leggen. Je kunt de ene rel na de andere ontketenen, zoals bij sommige (grote!) kranten op dagelijkse basis gebeurt. Dat soort werk is alleen toch meer fictie dan non-fictie.